Over passie gesproken

Verslag van het debat met Ton Koopman op 29 maart 2007


Donderdag 29 maart 2007 was prof.dr. Ton Koopman te gast tijdens het tweede HillegondaDebat. De dirigent van het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir deelde met de vele aanwezigen zijn passie voor het bekende werk van Johann Sebastian Bach, de Matthäus Passion. Aad van der Hoeven, de organist van de Hillegondakerk verzorgde de inleiding. Na het beluisteren van het openingskoor, zette Ton Koopman de vertelling over de ontstaansgeschiedenis van het koorwerk voort.


Aan de eerste uitvoering van het stuk in 1729 ging veel vooraf. Het niveau van de jongenskoren was naar Bachs zin ver onder maat en de muziek moest voor de vele koor- en instrumentpartijen met inkt overgeschreven worden. Ook de lutherse Thomaskirche, waar Bach als cantor werkzaam was, vergde het nodige van de partijen. Ze moesten zich regelmatig verwarmen bij de schouw, maakten gebruik van stoofjes en droegen vijf paar kleren om de vier uur durende uitvoering tot een goed einde te kunnen brengen. Desondanks heeft Bach een meesterwerk neergezet, waarvan de uitvoering vanaf de eerste keer tot op de dag van vandaag vele mensen trekt.

Aan de hand van het beluisteren van enkele passages wist Koopman de hoorders te inspireren met de boodschap die Bach met de muziek wilde overbrengen. De muziek maakt op fascinerende wijze de theologische boodschap van de Passion helder. Niet voor niets sprak de biograaf Schweitzer over ‘Augenmusik’: er lijkt soms meer te zien dan te luisteren. Ook de getalscombinaties zijn Bach helemaal eigen, hoewel terughoudendheid in het toeschrijven van kabbalistiek aan het stuk gepast is, aldus Koopman.

Koopman wees er verder op dat het stuk niet slechts droevig van toon is, maar ook momenten van vertrouwen bevat. Het is een menselijk drama met een ongekende diepgang dat de gevoelens zo verwoordt dat iedereen, van christen tot atheïst, telkens onder de indruk raakt. Ook vuurwerk is het stuk niet vreemd: het koraal ‘Sind Blitze, sind Donner’ laat ons de theatrale Bach zien, die zijn hoorders temidden van al het verdriet blijvend wil betrekken bij het lijdensverhaal. Het hoogtepunt van de Matthäus Passion is voor Koopman wanneer Jezus goede nacht wordt toegewenst. ‘Dit is een lief en innig moment, dat me altijd geroerd heeft’.

Koopman omschrijft Bach als een gewone gelovige, maar dan wel ultiem in zijn bijbeluitleg. De muziek functioneert als een soort godsdienstoefening en hoort daarom thuis in de atmosfeer van een kerk. De avond werd afgesloten met ‘Rust in vrede, rust nu zacht’, het slotkoraal van een meesterwerk, waarover men niet uitgedacht kan raken en wat de vele aanwezigen dankzij de levendige toelichting van Koopman opnieuw aan het denken heeft gezet.